10.2.1. Leven na de dood

Universeel concept

In praktisch alle godsdiensten en religies komen we de overtuiging tegen dat er een bewust leven na de dood is. Daarbij wordt altijd gedacht aan een voortleven in de geest, nadat het lichaam gestorven is. In diverse beschavingen leeft of leefde de gedachte dat de geest een reis moet ondernemen of een rivier moet oversteken op weg naar de eindbestemming. Ook is er in praktisch alle beschavingen het besef:

  • dat aan het einde van het leven de balans wordt opgemaakt van je daden
  • dat je positie in het hiernamaals wordt bepaald door de manier waarop je op aarde geleefd hebt.

Op zijn simpelst gezegd: goede mensen worden beloond en slechte mensen worden gestraft.

Occulte ervaringen

Er zijn mensen die door occulte ervaringen er achter proberen te komen wat er aan de overzijde van het leven te vinden is. Dat doen ze bijvoorbeeld door contact te zoeken met geesten van gestorvenen. Omdat dit uitdrukkelijk door God is verboden, mogen we aannemen dat de satan met deze vorm van communicatie is verbonden. Dat is bepaald geen garantie voor een betrouwbare berichtgeving. De satan wordt niet voor niets de 'vader van de leugen' genoemd ofwel de aartsleugenaar. Wat spiritisten zeggen te ervaren als contacten met gestorvenen, is naar alle waarschijnlijkheid contact met demonische geesten. Deze kunnen gestorven mensen imiteren en daarbij naar eigen believen allerlei boodschappen doorgeven naar de mensen. Nee, op die manier krijgen we geen goed beeld van wat er aan de overzijde plaatsvindt.

In het Oude Testament lezen we over een ander soort geestverschijning. Koning Saul probeerde via een waarzegster in contact te komen met de intussen overleden profeet Samuël. De koning wilde dat hij een voorspelling deed over de afloop van een veldslag met de Filistijnen. Hij wist heel goed dat zoiets in Gods levenswet streng verboden was.

"Er mag bij u geen plaats zijn voor ... hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Want de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen ..." (Deuteronomium 18:10-12, NBV2004)

Toen Samuël verscheen, schrok de waarzegster zich lam (1 Samuël 28:12). Ze had deze keer geen contact met de waarzeggende (demonische) geesten, zoals ze bij andere gelegenheden gewend was. Hier gebeurde iets van Godswege: een ECHTE verschijning van een gestorvene. De echtheid van deze verschijning werd bevestigd doordat de voorspelling van Samuël ook waar bleek te zijn: Saul en zijn zonen sneuvelden bij de veldslag.

Oudtestamentische opvattingen over leven na de dood

Bij de joden is van oudsher de gedachte bekend dat men na de dood met zijn voorgeslacht wordt verenigd (zie bijvoorbeeld Exodus 49:29) en dat het leven, een geschenk van God, nooit zal ophouden te bestaan. Jezus citeerde eens wat God tegen Mozes zei bij zijn roeping als leider van het volk Israël:

"Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden." (Matteüs 22:32, NBG1951)

Jezus legde uit dat alleen al uit die woorden van God kan worden geconcludeerd dat er leven is na de dood. Omdat God zich van oudsher heeft verbonden met zijn volk Israël, leefde bij hen de verwachting dat die verbondenheid in het hiernamaals zal doorgaan. Dat is een positieve verwachting, in tegenstelling tot de opvattingen bij heidense volken, waar de angst voor het hiernamaals overheerst.

In het Oude Testament wordt op veel plaatsen gesproken over het dodenrijk, de plaats in de geestelijke wereld waar alle mensen na hun sterven heen gaan. Ook de term 'graf' of 'groeve' wordt voor hetzelfde begrip gebruikt in het Oude Testament. De meeste teksten over dat onderwerp zijn nogal somber getint, denk maar aan wat Job eens over de dood zei:

"voor ik vertrek, voorgoed, naar het land van diepe donkerte, het land van het donkerste duister, van de diepzwarte chaos, van het nachtzwarte licht." (Job 10:21-22. NBV2004)

Er wordt in het Oude Testament nooit rechtstreeks iets gezegd over het gaan naar de hemel. Het begrip hemel werd destijds voornamelijk gebruikt om de woonplaats van God en de engelen aan te duiden. David schreef dat hij meer toekomstperspectief had dan de goddelozen, die alleen het aardse leven hebben:

"... bevrijd mij met Uw hand van de mannen, HEERE, van de mannen van de wereld, die hun deel hebben in dit leven ... Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen; ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld." (Psalm 17:14-15, HSV2010)

Hij verwacht bij het ontwaken in de geestelijke wereld God te zien:

"U zult mij leiden door Uw raad, daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen." (Psalm 73:24, HSV2010)

De profeten Jesaja en Daniël hebben geprofeteerd van een opstanding van gestorvenen (Jesaja 26:19; Daniël 12:2). In joodse kringen werd de uitdrukking 'in Abrahams schoot' gebruikt voor de plaats waar joden na hun sterven heengaan. Ook de term 'paradijs' werd gebruikt voor wat wij de hemel zouden noemen. Ook Jezus hanteerde deze beide uitdrukkingen (Lucas 16:22; 23:43). Verder is bekend dat de farizeeën in Jezus' tijd geloofden in een opstanding, terwijl de Sadduceeën dat afwezen (Handelingen 23:8; Lucas 20:27).

Samenvattend kunnen we zeggen dat de gelovigen onder het Oude Verbond sterk op het hier en nu gericht waren, dat ze niet zo veel aandacht besteedden aan het leven na hun sterven. Wel verwachtten ze voor de toekomst een opstanding van het lichaam en een eeuwig leven bij God. Het Nieuwe Testament geeft veel meer informatie over het hiernamaals dan het Oude Testament. In de volgende onderwerpen en hoofdstukken zullen we hier uitvoerig op ingaan.

 

Herschepping 2.0. Een uitgebreide, samenhangende serie studies over Bijbelse onderwerpen
voor persoonlijke opbouw en gespreksgroepen over Gods herscheppende werk in het leven van de gelovige.
copyright © 2013 - voor het laatst bijgewerkt op 18 maart 2013