9.7.2. Roeping van Abraham

Abraham de kanjer?

Als we de levensgeschiedenis van Abraham bestuderen ontdekken we hoe God zijn karakter grondig heeft veranderd.

"Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij in bezit zou krijgen, en hij ging op weg zonder te weten waarheen." (Hebreeën 11:8, NBV2004)

Bij het lezen van zo'n tekst voel je je onmiddellijk heel klein. Wat een geloofskanjer, wat een sterk vertrouwen op God, daar kan ik niet aan tippen. Maar het goede nieuws is ... dat Abraham in het begin helemaal niet zoveel godsvertrouwen had. De Bijbel geeft een uitvoerige beschrijving van Abrahams levensontwikkeling waar alle gelovigen veel van kunnen leren.

Zowel Abram als Sarai (zoals ze eerst heetten) kregen later een andere naam ter onderstreping van hun nieuwe status als bondgenoten van God (Genesis 17:9,15).

  • Abram (=vader is verheven) werd Abraham (=vader van vele volken)
  • Sarai (=prinses) werd Sara (=moeder van vele volken)

In deze onderwerpen zullen we steeds de nieuwe namen gebruiken, afgezien van de aangehaalde Bijbelgedeelten waarin de oude namen worden genoemd.

Abraham geroepen

Om de volgorde van de gebeurtenissen goed te kunnen volgen, lezen we eerst wat Stefanus zei over de roeping van Abraham:

"God, aan wie alle eer toekomt, is verschenen aan onze voorvader Abraham, toen hij in Mesopotamië woonde en zich nog niet in Haran had gevestigd. God zei tegen hem: Verlaat uw land en familie, en ga naar het land dat ik u wijzen zal. Toen verliet Abraham het gebied van de Chaldeeën en ging in Haran wonen..." (Handelingen 7:2-4, GNB1996)

God gaf hem daarbij de volgende belofte:

"Ik zal je tot een groot volk maken, ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij." (Genesis 12:2-3, NBV2004)

Terach en Abraham

De meeste Bijbellezers denken dat Abraham de Geweldige zo'n groot geloof had dat hij meteen het kloeke besluit nam om te gaan. Maar de Bijbel geeft een klein detail dat gemakkelijk over het hoofd wordt gezien en dat een ander licht op de zaak werpt:

"Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee..." (Genesis 11:31, NBV2004)

Want wie nam het initiatief voor deze grootscheepse emigratie? Niet Abraham, maar ... zijn vader Terach. Dat zegt veel. Abraham was aarzelend van aard en bang om risico's te nemen. Gebrek aan motivatie en moeite hebben met grote veranderingen horen helemaal bij het evenwichtige type. Het zou ook geen kleinigheid zijn om het welvarende, moderne Ur te verlaten om je ergens in het Wilde Westen te gaan vestigen, waar waarschijnlijk niemand op je zit te wachten.

Abraham zal tegen zijn vader hebben gezegd dat God hem had geroepen om weg te trekken. Omdat hij het niet aandurfde om zelfstandig die avontuurlijke onderneming uit te voeren, had zijn vader mogelijk ongeveer het volgende gezegd: "Als God dit van jou vraagt, kunnen we toch ook wel met zijn allen gaan? Dat is veel prettiger en met elkaar staan we sterker. Waarom niet?" En Abraham had niet de moed om te zeggen dat God juist tegen hem had gezegd dat hij zijn FAMILIE moest verlaten. Zonder zijn familie was hij niets. Zijn huiverigheid om aan iets nieuws te beginnen en zijn te sterke gehechtheid aan de sociale zekerheid van familieleden zouden de kernoorzaken blijken te zijn van de meeste problemen waar hij later in terecht zou komen. Voor evenwichtige typen onder de christengelovigen van vandaag kunnen dat ook de belangrijkste remmingen zijn in hun geloofsleven en geloofsgroei.

Abraham gebonden door familiebanden

Veel evenwichtige gelovigen hebben namelijk diezelfde afhankelijkheid van familie en vrienden, waar ze hun veiligheid van verwachten. Ze zijn praktisch van aard, houden zich vooral bezig met het zichtbare en hebben dan ook meer moeite om het bovennatuurlijke een plaats in hun leven te geven. Daarbij kunnen op zich goede sociale banden werken als belemmeringen bij het volgen van de Heer en het aannemen van nieuwe uitdagingen. Om te groeien in een werkzaam vertrouwen op God moeten ze een aantal lessen leren die Abraham van God kreeg om de geloofskanjer te worden die God van hem heeft kunnen maken...

"Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen." (Genesis 11:31, NBV2004)

We zien dat de Terach clan ergens onderweg naar het 'beloofde land' bleef steken: in Charan. En daar bleven ze wonen. Pas toen vader Terach was overleden (Genesis 11:32) durfde Abraham weer na te denken over zijn oorspronkelijke roeping. Hij had intussen al zijn vijfenzeventigste verjaardag gevierd. Genesis 12 begint met het vermelden van die oorspronkelijke roeping van jaren geleden:

"De HEER zei tegen Abram: 'Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen." (Genesis 12:1, NBV2004)

De werkwoordvorm is door de meeste Bijbelvertalingen niet goed weergegeven. Er zou moeten staan 'de Heer HAD tegen Abraham gezegd', namelijk toen ze nog in Ur woonden (Handelingen 7:2-3).

"Toen ging Abram weg, zoals de HEER hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet." (Genesis 12:4, WV1995)

Ook zegt de Bijbel heel nadrukkelijk dat neef Lot wel met Abraham meeging. Ongetwijfeld vond de voorzichtige Abraham het wel prettig en veilig om toch nog iemand van zijn familie mee te nemen. Zijn ondernemende neef zou hem vast wel kunnen helpen bij dit nieuwe avontuur. Abraham verliet dus de rest van de familie die in Charan achterbleef, om de reis te voltooien naar het land dat God hem gewezen had. De Bijbel vermeldt niet hoe Abraham precies wist dat hij in Kanaän moest zijn, maar in ieder geval wist hij heel goed waar God hem uiteindelijk wilde hebben.

Abrahams relatie met God

Abraham streek neer bij More, hetzelfde gebied waar God hem later zou naar toe zou laten gaan om zijn zoon te offeren, en mogelijk ook de plek waar nog veel later God het hoogste offer bracht toen Jezus daar werd gekruisigd... Een heel bijzondere plek dus.

Toen Abraham het einddoel van de lange reis {eindelijk!) bereikt had ging God weer spreken. Zo werkt goddelijke leiding. Pas wanneer je een gegeven opdracht van God volledig hebt uitgevoerd gaat God weer verder spreken. In de tussentijd kan het wel eens stil blijven.

"Daar verscheen de HEER aan Abram en zei: 'Aan uw nakomelingen zal Ik dit land in bezit geven.' Toen richtte hij daar een altaar op voor de HEER, die hem verschenen was." (Genesis 12:7, WV1995)

Abraham was een man die op belangrijke momenten steeds een altaar bouwde om daarop offers aan God te brengen. Het waren offers van toewijding en overgave aan God. Op die altaren legde hij eigenlijk zijn eigen leven voor God neer en vertrouwde hij Hem voor alles wat hij nodig had.

"Vandaar trok hij verder naar het gebergte ten oosten van Betel, sloeg zijn tent op tussen Betel in het westen en Ai in het oosten, richtte een altaar op voor de HEER en riep de naam van de HEER aan. Daarna trok Abram verder naar de Negeb toe." (Genesis 12:8-9, WV1995)

Dit is het tweede Bijbelgedeelte waar Abraham een altaar bouwde en God aanbad. Daarbij worden geen details vermeld.

 

Herschepping 2.0. Een uitgebreide, samenhangende serie studies over Bijbelse onderwerpen
voor persoonlijke opbouw en gespreksgroepen over Gods herscheppende werk in het leven van de gelovige.