5.1.13. Uitverkiezing

Eeuwig plan

Bij het woord 'uitverkiezing' wordt vaak gedacht aan het idee dat God op grond van een eeuwig plan van tevoren heeft vastgesteld of iemand ooit gered zal worden of dat hij voor eeuwig verloren zal gaan. Het lijkt dan of de mens machteloos staat tegenover God die ertoe kan besluiten hem tot zich te brengen of hem van zich af te stoten.

De Bijbel spreekt duidelijk over een eeuwig, allesomvattend beleidsplan van God, waarbinnen onze levens een plek hebben:

"Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil," (Efeziërs 1:5, HSV2010)

"In Hem (=Jezus) zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem (=God) Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil, opdat wij tot lof van Zijn heerlijkheid zouden zijn, wij, die al eerder onze hoop op Christus gevestigd hadden." (Efeziërs 1:11-12, HSV2010)

Deze woorden moeten we in de eerste plaats lezen met Efeziërs 1:3 in het achterhoofd, waarin Paulus de daarop volgende Bijbelverzen inleidt. Vrij weergegeven schrijft hij: "Kijk toch eens waarmee God ons als gelovigen allemaal heeft gezegend!" God heeft ons als gelovigen aangenomen als zijn eigen kinderen en dat herscheppingsplan had Hij allemaal van tevoren uitgedacht. Alles wat God ooit doet past binnen zijn allesomvattende goddelijke beleid. Maar dat betekent niet dat God de gedetailleerde uitwerking van dat plan van tevoren heeft vastgesteld als een soort noodlot. Uit deze woorden mogen we ook niet afleiden dat van alle individuele gelovigen van tevoren vaststaat of zij nieuw leven zullen ontvangen of niet.

Ware gelovigen zijn uitverkorenen

In veel gevallen wordt de term 'uitverkoren' of iets dergelijks in de NBG1951 of HSV2010 vertaling gebruikt voor ware gelovigen in ongeveer dezelfde betekenis als 'geroepenen' (bijvoorbeeld in 1 Korintiërs 1:2). Vergelijk bijvoorbeeld ook 1 Petrus 1:1 met 2 Petrus 1:1 en bedenk dat de geadresseerden vrijwel zeker de zelfde groep mensen vormden.

Het nieuwtestamentische woord voor 'gemeente' (Grieks: ekklesia) heeft ook eenzelfde betekenis: een groep uitgeroepenen. We gaan voor het gemak even voorbij aan het feit dat meestal niet alle leden van een gemeente ware gelovigen zijn. Gelovigen zijn door God geroepen en apart gezet om Hem te dienen. In die zin zijn alle wedergeboren gelovigen geroepenen te noemen. NERGENS in de Bijbel wordt iemands persoonlijke uitverkiezing of bestemming losgemaakt van de individuele keuze om in God te gaan geloven en om God en de medemensen lief te hebben.

Er is ruimte voor jou in Gods eeuwige plan

Het is heel bemoedigend te weten dat God jouw persoonlijke herscheppingsproces leidt (en dus niet jij zelf), dat je welkom bent bij Hem, en dat je op Hem kunt terugvallen, ook als je wel eens wegzakt. Gods 'eeuwige plan' kan nooit aanleiding geven tot welke negatieve gedachte dan ook en kan nooit een belemmering vormen voor wie dan ook om tot God te komen. De vraag 'ben ik wel uitverkoren?' vind ik eigenlijk een verboden vraag die van geen enkel belang is en alleen onnodige twijfel kan zaaien. Wie tot bekering gekomen is kan in de Bijbel lezen dat hij een uitverkorene is.

De Bijbel laat zien dat God je kende, lang voordat je geboren werd (Psalm 139:14-15). Zoals een moeder de kinderkamer klaarmaakt als er een baby op komst is, zo heeft God in zijn plan ruimte gemaakt voor jou. God hield van je voordat jij van Hem kon houden. Hij is je eerste liefde. God heeft voor je gekozen voordat jij voor Hem kon kiezen. Dat is een hartverwarmende gedachte.

Wie is verantwoordelijk voor bekering: God of de mens?

Bij het handelen van God vindt een wonderlijke wisselwerking plaats tussen God die iets doet en de mens die zich ervoor opent en erop reageert. God dringt zichzelf niet aan je op, maar respecteert je keuzevrijheid. Iemands bekeringsproces bestaat onder meer uit al die momenten van interactie tussen God en de mens, waarbij in het hart van de mens het geloof ontstaat dat tot bekering leidt. Die verwevenheid van Gods handelen en de reacties van de mens is een van de grootste mysteries van het christelijke geloof.

Als Schepper staat God boven alles wat bestaat en alles wat gebeurt. Dus ook het hele proces van bekering en wedergeboorte valt onder zijn alles omvattende soevereiniteit. Daarbij zijn Vader, Zoon en Geest alle drie actief betrokken:

  1. De Vader heeft de wereld lief (Johannes 3:16) en heeft een alomvattend beleidsplan om mensen nieuw leven en een stralende toekomst te geven (Efeziërs 1:4-5).
  2. De Zoon heeft de kosten betaald door zijn plaatsvervangend sterven en verzoening tussen God en de mensheid tot stand gebracht.
  3. De Heilige Geest geeft individuele mensen zicht op God en zijn plan met hun leven.

God is voor 100% de leider van het bekeringsproces. Tegelijk ben je als mens voor 100% verantwoordelijk voor je eigen keuze om je in geloof tot God te bekeren. Dit wordt wel eens de '200% regel' genoemd. Je hoeft je geen zorgen te maken over Gods aandeel in het proces. God is daartoe zeer bekwaam en laat zich motiveren door zijn eeuwige, onbaatzuchtige liefde. Zelf ben je volledig verantwoordelijk voor jouw reacties op wie God is en op wat Hij doet in je leven. Daarin word je niet gemanipuleerd of gehinderd vanuit de hemel.

"Maar aan wie hem aanvaardden en in hem geloofden, heeft hij het recht gegeven kinderen van God te worden." (Johannes 1:12, GNB1996)

Maar ook al is de mens verantwoordelijk voor zijn eigen geloofskeuze, het aannemen van Jezus is geen eigen verdienste. Want laten we wel wezen, wat voor verdienste ligt er in het feit als iemand van God een royaal genadeaanbod van nieuw leven aanneemt? Als je door hebt wat dat genadeaanbod inhoudt, hoe zou je dat dan nog kunnen afwijzen?

God werkt in het hart van de mens

Persoonlijk geloof ik niet in een tegenstelling tussen de vrije wil van de mens en de soevereiniteit van God. Kijk eens naar het volgende Bijbelgedeelte:

"Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart." (Hosea 2:13, NBG1951)

Hier spreekt God over de relatie met zijn geliefde volk Israël, maar met dezelfde liefdevolle houding komt God de mens tegemoet die open staat voor zijn liefde. Hoe raar het ook mag klinken, God maakt mensen in zekere zin het hof, met een liefdevolle toenadering. Ook Jezus sprak over dit onderwerp toen Hij zei:

"Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader ... hem trekt." (Johannes 6:44, HSV2010)

Dat 'trekken' van God (en natuurlijk evenzeer van Jezus) betekent niet dat Hij mensen aan hun haren zijn Koninkrijk binnen sleept, want God respecteert ieders vrije wil. Het betekent wel dat God zijn aantrekkingskracht op hen uitoefent door hen te laten ontdekken wie Hij is en hoeveel Hij van hen houdt.

"... Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, KOMT tot Mij ... Wie GELOOFT, heeft eeuwig leven." (Johannes 6:45-47, NBG1951)

Na het 'trekken' van God is het aan de mens een stap te nemen, namelijk om te komen en te geloven. Denk ook aan de andere uitdrukkingen die de Bijbel gebruikt voor het 'trekken' van God, zoals 'roepen' (1 Korintiërs 1:2) of 'aan de deur van je hart kloppen' (Openbaring 3:20). Gods werk in het mensenhart ontslaat hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om voor God te kiezen. God schakelt de wil van de mens niet uit, want God heeft de mens geschapen met een vrije wil en een eigen verantwoordelijkheid voor zijn levenskeuzen.

Iemand zal misschien zeggen dat er in de Bijbel van Lydia geschreven staat dat de Heer haar hart opende. Ja, dat staat er inderdaad:

"Een van hen heette Lydia. Ze was een purperverkoopster uit Tyatira en vereerde God. Toen ze zat te luisteren, zorgde de Heer dat haar hart zich opende: ze was vol aandacht voor wat Paulus zei..." (Handelingen 16:14, GNB1996)

Maar er staat meer. Nadat zij en haar huisgenoten waren gedoopt, nodigde ze Paulus en degenen die bij hem waren uit met de woorden:

"... Als u ervan overtuigd bent dat ik in de Heer geloof, neem dan bij mij uw intrek..." (Handelingen 16:15, NBV2004)

We lezen in deze beide Bijbelverzen:

  1. dat Lydia luisterde naar de evangelieboodschap,
  2. dat God haar hart opende
  3. dat zij aandacht schonk aan wat gezegd was ofwel de boodschap aanvaardde.
  4. dat zij tot geloof kwam
  5. dat zij zich liet dopen.

Haar bekering ging dus allerminst buiten haar eigen wil om. Paulus bracht Gods boodschap, God maakte de boodschap levend in haar hart en Lydia koos. Alles gebeurde op Gods initiatief en onder Gods regie, maar daarbij had Lydia ook een eigen rol.

Wachten op Gods ingrijpen?

Helaas zijn er nog steeds mensen die verlamd worden door bepaalde opvattingen rondom uitverkiezing. Ze menen uit de Bijbel te concluderen dat alleen die mensen door God worden aangeraakt, die van tevoren zijn aangemerkt en voorbestemd zijn om nieuw leven te ontvangen. Ze menen ook dat je alléén tot God kunt komen als je, buiten je wil om, tot een ingrijpende innerlijke verandering komt. Ze gaan hun leven lang naar de kerk en wachten maar totdat die gebeurtenis hen overkomt. Het gaat hier echter om een leugen uit de hel waarmee de satan ons passief wil maken en te weerhouden om naar God toe te gaan. De eerste evangelieboodschap van Jezus was gericht aan ALLE omstanders:

"Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matteüs 4:17, HSV2010)

Wie geeft ons dan het recht om te zeggen: "Pardon, wij hebben het in onze kerkelijke kring precies andersom geleerd. Wij kunnen ons niet bekeren, want dat moet ons eerst door U gegeven worden!" In de eerste plaats is het Jezus die ons roept om zijn leven in ontvangst te nemen:

"Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken." (Johannes 7:37, HSV2010)

Voor degenen die hieraan gehoor willen geven, gaat het niet om de vraag 'ben ik uitverkoren'? maar om de vraag 'heb ik dorst en wil ik drinken'? In de Bijbel zien we nergens dat Jezus tegen iemand zei: "Ga maar weg want volgens mijn gegevens sta je niet op de lijst van uitverkorenen." Het genadeaanbod is aan alle mensen gericht.

God heeft niet vastgesteld dat bepaalde mensen bij voorbaat verworpen zijn en dus geen kans maken om nieuw leven te ontvangen, ook al zouden ze zich tot God keren. Mensen die zo denken willen nog wel eens de volgende tekst aanhalen:

"Jakob heb ik liefgehad, Esau heb ik gehaat." (Romeinen 9:13, NBG1951/NBV2004)

In deze tekst wordt een vergelijking getrokken tussen Jakob en Esau. Het is een manier van spreken die betekent dat God Jakob heeft verkozen BOVEN Esau om aartsvader van het volk Israël te worden, niet dat God hem van tevoren had verworpen of afgewezen. In Lucas14:26 wordt diezelfde zegwijze gebruikt in een ander verband. Hier komt nog zo'n tekst die sommige mensen gebruiken om anderen te ontmoedigen en de poort naar de hemel te versmallen.

"Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren." (Matteüs 22:14, HSV2010)

Deze woorden sprak Jezus uit na de gelijkenis over de genodigden bij een koninklijke bruiloft (Matteüs 22:1-14). Dit betekent: niet ALLE genodigden gaan in op de uitnodiging; niet meer en niet minder. Het betekent niet dat hun aanwezigheid van tevoren al niet gewenst was en ook niet dat er maar een klein groepje mensen bij God mag komen. Wie nodigt er nu mensen uit die niet welkom zijn? In ieder geval God niet!

Kortom: laat je niet inpakken door al die neerdrukkende gedachten over uitverkiezing. Onthoud dat iedereen welkom is bij God die zijn leven aan Hem in geloof wil toevertrouwen.

Conclusie

Als je kennis hebt genomen van Gods genadeaanbod, dan ben je een 'geroepene' en als het aanneemt blijk je een 'uitverkorene' te zijn. Het woord 'uitverkorene' kan ook gelezen worden als gunsteling, iemand van wie God houdt, zoals in de volgende oudtestamentische profetie over Jezus:

"Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde, ik heb hem met mijn geest vervuld. Hij zal alle volken het recht doen kennen." (Jesaja 42:1, NBV2004)

Dan blijkt bij het lezen van de Bijbel dat God je al eeuwen geleden op het oog heeft gehad.

Een voorbeeld zien we in het volgende Bijbelvers waarin Gods eeuwige plan en de bewuste keuze van de mens naast elkaar voorkomen:

"... allen die voor het eeuwige leven bestemd waren, kwamen tot geloof." (Handelingen 13:48, GNB1996)

Er blijft een spanningsveld tussen Gods eeuwige, tijdloze plan en de verantwoordelijkheid van de tijdelijke mens. Het is niet mogelijk om die beide tot een logisch begrijpbaar geheel te beschrijven. Belangrijk is te weten dat Gods genade de bron is voor de redding van de mens en dat de mens volledig verantwoordelijk is voor zijn bekeringskeuze. Alle eer aan God die dat allemaal mogelijk heeft gemaakt!

 

Herschepping 2.0. Een uitgebreide, samenhangende serie studies over Bijbelse onderwerpen
voor persoonlijke opbouw en gespreksgroepen over Gods herscheppende werk in het leven van de gelovige.
copyright © 2013 - voor het laatst bijgewerkt op 18 maart 2013