3.2.1. Paradijs

"God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten..." (Genesis 2:8-9, NBV2004)

Tuin van Eden

In de Bijbel lezen we over de tuin van Eden, de meest volmaakte leefplek voor de mens op aarde, die we meestal het paradijs noemen. God had dit onbeschrijfelijk mooie lustoord speciaal voor Adam en Eva klaargemaakt als woonplaats. Alleen het allerbeste was goed genoeg voor de mens, het kroonjuweel van zijn schepping. Ook de toekomstige woonplaats in het hemelse paradijs wordt met zorg klaargemaakt voor Gods kinderen (Johannes 14:2, Openbaring 2:7).

De Bijbel geeft ook enige details over de ligging van de tuin van Eden:

"Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen." (Genesis 2:10, NBV2004)

Uit dit vers blijkt dat het paradijs op of tegen een heuvel lag, van waaruit het water van de bron naar beneden stroomde. Laten we voor het gemak aannemen dat die heuvel een onderdeel van het paradijs was. Als we in het Bijbelboek Openbaring lezen over Nieuw Jeruzalem, dan zien we een vergelijkbaar beeld. Deze stad zal ook hooggelegen zijn (Openbaring 21:16) met een rivier, die vanuit het centrum ontspringt (Openbaring 22:1).

Heersen over de aarde, te beginnen bij het paradijs

Toch moeten we de tuin van Eden niet zien als een soort Luilekkerland, met het uitsluitende doel om de mens alles te geven waar hij behoefte aan had. We lezen dat God een omvangrijke opdracht had gegeven aan Adam en Eva:

"Zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over heel de aarde en over alles wat daarop rondkruipt," (Genesis 1:25, NBV2004)

Dat was de missie voor Adam en Eva en de hele mensheid die uit hen zou ontstaan. In het begin waren Adam en Eva daar natuurlijk nog helemaal niet klaar voor. Maar in Gods plannen is er altijd een leerproces en een toegroeien naar een hoger doel:

"God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken." (Genesis 2:15, NBV2004)

Voordat Adam het koningschap over de hele aarde gestalte zou kunnen geven, kreeg hij eerst de verantwoordelijkheid voor een relatief klein stukje van de aarde, letterlijk als een proeftuin...

Adams opleiding in het paradijs

Bovenal was de tuin van Eden de plaats van Gods aanwezigheid, de plaats waar God omgang had met de mens. Elke pagina van de Bijbel spreekt direct of indirect over Gods verlangen om met de mens te communiceren. We mogen dus aannemen dat God vanaf het begin persoonlijke omgang had met Adam. Bij de dagelijkse ontmoetingen (zoals in Genesis 3:8) zal God ongetwijfeld heel veel aan Adam hebben verteld over het beheren van het paradijs, de plantenwereld en over allerlei geheimen van de schepping. Zo kreeg hij zijn onderwijs rechtstreeks van zijn Schepper. Vervolgens liet God Adam kennismaken met de dierenwereld.

"... en Hij bracht die (=de dieren) bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren ..." (Genesis 2:19-20, NBV2004)

God wilde dat Adam de dieren hun namen gaf, om daarmee zijn heerschappij over de dierenwereld te onderstrepen. Zo ontmoetten de dieren hun koning. Mogelijk hield het geven van namen meer in dan 'elk beestje moet een naam hebben'. Misschien had de naamgeving ook iets te maken met het toekennen van bepaalde eigenschappen aan dieren. Het is maar een gedachte.

Eva

Hoewel Adam vast erg gelukkig was in die eerste tijd, was hij nog niet compleet. God liet hem zelf zijn behoefte aan een menselijke partner ontdekken. Vervolgens schiep God de vrouw op een heel opmerkelijke manier:

"Toen liet God, de Heer, de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam Hij een van zijn ribben weg; Hij vulde die plaats weer met vlees. Uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, bouwde God, de Heer, een vrouw en Hij bracht haar bij de mens." (Genesis2:21-22, NBV2004)

Terwijl Adam in coma was (een uitzonderlijk diepe slaap), maakte God een vrouw uit het lichaam van Adam. God had Adam en Eva gemakkelijk tegelijk en onafhankelijk van elkaar kunnen scheppen, maar Hij koos ervoor om het op deze manier te doen. Zoals later alle mensen geboren zouden worden uit de vrouw, zo werd de eerste vrouw geboren uit de man.

Eva werd geboren ten koste van Adam. Dit was het eerste offer dat op aarde gebracht werd, ook al was het niet de keuze van Adam zelf geweest. Evengoed was het een rib uit zijn lijf! Evenals de Gemeente van Jezus is ontstaan uit het sterven van Jezus, zo is Eva ontstaan bij een soort doodsslaap van Adam. In dat opzicht lijken de eerste Adam en de Tweede Adam (=Jezus) op elkaar. In beide gevallen zien we leven ontstaan uit de dood en dat principe zien we steeds terug in de Bijbel. Overigens, ik heb eens gelezen dat de medische wereld heeft ontdekt dat de onderste rib het enige bot is in het menselijk lichaam dat vanzelf weer aangroeit. Wonderlijk dat God zoiets voor het menselijk lichaam heeft ontworpen, terwijl het maar eenmaal voor dat doel is gebruikt. Onze Schepper blijft ons verbazen...

Man en vrouw werden geschapen tot een twee-eenheid. Samen zouden ze een compleet evenbeeld zijn van de heilige, liefdevolle Schepper. De manier waarop dit gebeurde zegt iets van Gods bedoelingen voor man en vrouw: Het feit dat eerst Adam en vervolgens Eva uit Adam is geschapen, geeft op een natuurlijke wijze aan dat Adam de leider was van de twee-eenheid van de man en zijn vrouw. Ook de volgende tekst laat iets zien van Gods bedoelingen voor man en vrouw in relatie tot elkaar:

"God, de HEER, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past." (Genesis 2:18, NBV2004)

Het feite dat de vrouw is ontstaan ten koste van de man geeft aan dat de man in een houding van zelfopofferende liefde het welzijn van zijn vrouw moet zoeken. Het feit dat Eva uit Adams zijde is ontstaan vind ik een illustratie van de gelijkwaardigheid van man en vrouw, ondanks de leiderspositie van de man. De vrouw is letterlijk de wederhelft van haar man. De principes van leiderschap en zelfopoffering vinden we terug in Efeziërs 5:22-33. Daar heeft Paulus het over de verhouding tussen de man en zijn vrouw, en die tussen Jezus en de Gemeente. Samen zijn man en vrouw beelddragers van God.

Heerlijkheid van de mens in het paradijs

We moeten niet gering denken over het glorierijke leven dat Adam en Eva in het begin bezaten. God had hen volmaakt geschapen:

"Toch hebt Gij hem (=de mens) bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond." (Psalm 8:6, NBG1951)

Adam en Eva droegen geen kleding, maar waren bekleed met Gods heerlijkheid. Er was geen plaats voor dood, ziekte of pijn. Ze waren elk op een eigen manier een afstraling van Gods heiligheid en aantrekkelijkheid. Door de zonde zouden ze die goddelijke heerlijkheid later verliezen (Romeinen 3:23) maar in het begin hadden ze die nog volledig. Dat hield in dat ze een reine onbevangenheid hadden naar God en in volmaakte harmonie leefden met God, met hun omgeving, met elkaar en met zichzelf.

Toch hadden ze nog niet hun uiteindelijke doel en geestelijke volwassenheid bereikt. Er lag nog een heel ontwikkelingstraject voor hen. Hun morele besef moest nog worden gevormd en getest zodat ze aan God konden tonen of hun loyaliteit naar Hem uitging of naar zichzelf.

 

Herschepping 2.0. Een uitgebreide, samenhangende serie studies over Bijbelse onderwerpen
voor persoonlijke opbouw en gespreksgroepen over Gods herscheppende werk in het leven van de gelovige.
copyright © 2013 - voor het laatst bijgewerkt op 18 maart 2013